18-06-08

30. Corpus Hermeticum : boeken 3 & 4.

_________________________________________________________________________________

Derde boek : Dat het grootste kwaad in de mensen is, dat zij God niet kennen.

1. Waar spoedt ge u heen, o mensen, gij die beneveld zijt omdat ge u bedronken hebt aan het woord dat alle Gnosis mist, het woord der volstrekte onwetendheid, dat ge niet kunt verdragen en dat ge nu dan ook eindelijk uitbraakt ?

2. Houdt op en wordt nuchter : ziet weer met de ogen van uw hart.  En zo niet allen dit kunnen, dan tenminste zij die daartoe in staat zijn.  De boosheid der onwetendheid overstroomt de ganse aarde, richt de ziel, die in het lichaam opgesloten is, ten gronde, en belet haar de haven des heils binnen te lopen.

3. Laat u dus niet meeslepen door het geweld van de stroom, maar laat diegenen onder u die in staat zijn de haven des heils te bereiken, gebruik maken van de tegenstroom en er binnenlopen.

4. Zoek hem die u bij de hand zal nemen en u zal geleiden naar de poorten van de Gnosis, waar het heldere licht straalt waarin geen duisternis is ; waar niemand dronken is, maar allen nuchter zijn en met het hart opzien tot hem die gekend wil worden.

5. Maar weet wel : zijn stem kan niet vernomen worden en zijn naam niet uitgesproken worden, noch kunnen stoffelijke ogen hem aanschouwen : alleen de geestziel is daartoe in staat.

6. Daarom moet ge eerst het kleed dat ge draagt verscheuren : het weefsel der onwetendheid, het fundament der boosheid, de kluister van het verderf, de lichtloze gevangenis, de levende dood, het lijk met zintuigen, het graf dat ge met u meedraagt, de plunderaar die bij u inwoont en u zijn haat toont door hetgeen hij leefhieft en zijn afgunst door hetgeen hij haat.

7. Zodanig is het vijandig kleed waarmee ge u hebt omhuld, het kleed dat, door u het ademen te beletten, u tot zich neerhaalt, opdat ge maar niet weer ziende zult worden, en, door het aanschouwen van de schoonheid der waarheid en van het goede dat daarin besloten ligt, zijn boosheid niet zult haten en zijn lagen en listen niet zult doorzien.

8. Het maakt uw zintuigen ongevoelig, door ze met een overvloed van materie af te sluiten en van zondige wellust te vervullen, opdat ge niet zult horen wat ge zo nodig horen moet, en niet zult zien wat ge zo van node hebt te zien.

 - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

 

Vierde boek : Hermes' rede ter ere Gods.

 

1. God, Gods macht en de goddelijke natuur zijn de heerlijkheid van het al.

2. God is het begin, de oeriedee, het vermogen tot groei, en de materie aller schepselen ; de wijsheid tot openbaring aller dingen.

3. Gods macht is oorzaak, geboorte en groei, werkzame kracht, sterven en vernieuwing.

4. Er was in de afgrond een oneindige duisternis en water en de werkzaam wordende adem der schepping.  Dit alles was door Gods kracht in de chaos.

5. Toen maakte het heilige licht zich vrij, de oerelementen scheidden zich af van de vochtige substantie, zij verdichtten zich, en alle goden tezamen maakten scheiding tussen de aanzichten der kiemrijpe natuur.

6. Uit het onbepaalde en ongevormde scheidden de lichte elementen zich af naar omhoog, terwijl de zware elementen steun vonden op het vochtige zand, zodat het al door de werking van het vuur in zijn samenstellende delen werd onderscheiden, en, geordend door de adem der schepping, in voortdurende beweging werd gehouden.

7. Het heelal openbaarde zich in zeven cirkels, en de goden vertoonden zich in de gedaante van sterren met al hun constellaties.  De natuur in al haar aanzichten, werd, met de hulp der in haar aanwezige goden, tot een organische orde gevormd, en de haar omringende cirkel, omgeven door een astrale wolk, werd in zijn kringloop door de goddelijke adem voortbewogen.

8. Iedere god bracht, uit eigen kracht, datgene voort wat hem was opgedragen ; zo ontstonden viervoetige, kruipende, in het water levende, en gevleugelde dieren, en alle kiemdragende zaden, en het gras, en de frisse wasdom van al wat bloeit.  Het zaad der wedergeboorte lag in hen besloten.

9. De goden brachten evenzo de geslachten der mensen tot aanzijn, opdat zij de werken Gods zouden leren kennen en zouden getuigen van de werkzaamheid der natuur ;

10. en in menigte zouden toenemen, onbeperkt zouden heersen over alles wat onder de hemel is, de goede dingen zouden leren kennen ; en aldus zouden groeien terwijl zij toenamen en zich in menigte vermenigvuldigden.

11. De goden brachten alle zielen voort die, naar lotsbestemming, door het bestel der goden binnen de cirkels, in het vlees werden gezaaid, opdat zij het hemelgewelf, de loop der hemelse goden,de goddelijke werken en de werkzaamheid der natuur nauwkeurig zouden waarnemen,

12. opdat zij het ware goede en de goddelijke macht, die het wiel der lotsbeschikking in beweging houdt, zouden leren kennen.

13. En aldus goed en kwaad zouden leren onderscheiden en zich de gehele verheven kunst van het volbrengen van goede werken zouden eigen maken.

14. Dit is van den beginne voor hen de weg : zij doen levenservaring op en verzamelen wijsheid met betrekking tot hun lotsbeschikking vanuit de cirkelgang der goden ; tenslotte worden zij bevrijd en laten op aarde grote monumenten achter, die herinneren aan de verheven werken die zij als bevrijden volbrachten.

15. Al wat in der tijden gang ontluistert en duisternis spreidt : het ontstaan van bezield vlees, en van nageslacht op de wijze van het jonge dier, en van heel het menselijk werken, al dit wat doet verkwijnen, zal door het Fatum, door de vernieuwing der goden en van de kringloop der natuur als haar getal vol geworden zijn, weer nieuw gemaakt worden.

16. Het goddelijke is het tot eenheid samengevloeide kosmische al, dat door de natuur is vernieuwd, want ook de natuur is in de almacht Gods verankerd.

17:24 Gepost door marcus in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

Post een commentaar